Geen categorie

Losrijdend wild

Geachte dames en heren van het Lierse Stadsbestuur,

 

Het is alweer een tijdje geleden dat u wat van mij hoorde. Meer zelfs, het valt mij op dat ik de laatste weken meer van u verneem, dan u van mij. Mijn brievenbus puilt uit van uw beloftes, de ene al wat realistischer en noodzakelijker dan de andere. Maar bon, het zijn beloftes. Niet meer, maar ook niet minder. In Van Dale staat immers bij het woord belofte: mondelinge of schriftelijke toezegging om iets te doen of te geven. Wees dus voorzichtig met wat u in mijn bus stopt, u zegt daarmee toe het ook effectief te doen.

Nu u dezer dagen zoveel vraagt aan mij - en bij uitbreiding aan alle Lierenaars, namelijk: onze stem -, wil ik u toch zelf eerst een casus voorleggen.

Ik vraag maar even van uw tijd, want ik weet, u werkt hard. Wij verwachten trouwens niets anders, want u kreeg onze stem zes jaren geleden al eens een keer. Even een kwartier, dat kan toch niet teveel gevraagd zijn. Een kwartiertje betekent een wandelingetje naar de koffieautomaat en terug. Komaan zeg.

Doet u in plaats daarvan eens het volgende. Neemt u even de fiets, u weet wel, dat ding op twee wielen, waarop u kan zitten en zelf hoeft te trappen om enigszins vooruit te komen. Dat ding dat, zo blijkt uit menig wetenschappelijk onderzoek, milieuvriendelijk zou zijn. Het zou ons rijkelijk veel momenten van ontspanning bieden en onze levenskwaliteit aanzienlijk verhogen. Er zijn zelfs steden waar de fiets het speerpunt is in het mobiliteitsbeleid. Ja, u hoort het goed, zo’n steden bestaan.

U neemt dus die fiets en let op … volgt u alstublieft mijn instructies nauwkeurig op indien u deze tekst vanavond nog aan uw partner wil voorlezen. Verlaat het Paradeplein - het Tiananmenplein van uw stadsdiensten zeg maar, er staan daar twee toestellen die mij altijd aan tanks doen denken -, wel verlaat dit Paradeplein, ik smeek het u, langs de hoofdingang. Kiest u de andere zijde, dan loopt u het risico om door een uit de ondergrondse parking wegrijdende auto geraakt te worden, en zo dit al niet het geval zou zijn, komt u gegarandeerd op een bepaald moment voor lichten te staan, waar u als fietser al minstens hogere geometrie en kansberekening moet hebben gestudeerd, om heelhuids op het fietspad aan de overzijde te geraken. U kan daar namelijk geen kant op.

U luistert naar mij, dat denk ik dezer dag wel, want u wilt mijn stem, en u neemt de voorzijde en draait dus links de Baron Opsomerlaan in. U bereikt dan weldra de verkeerslichten die u richting Antwerpen zouden kunnen leiden mocht u weer links afslaan, maar laten we dat vooral niet doen. In Antwerpen kan u wat mobiliteit betreft echt niet veel gaan leren. Steekt u het kruispunt gewoon over. Vervolgt uw weg langsheen onze idyllische Omleidingsvaart en belandt dan op de Frederik Peltzerstraat. Doe alle mogelijke moeite om aldaar op het pad met de rode plaveien te belanden, dat heet fietspad, en waagt u zelf terug de stad in.  Dat ditzelfde pad daar plots verrassend zwenkt en u terug gewoon op de rijweg doet belanden moet u beschouwen als een soort van attractie. Ze geeft u het gevoel even losrijdend wild te zijn, maar het komt wel goed, wees gerust.

Als u net voorbij ons wereldberoemde ijssalon passeert - nu ja, wat heet wereldberoemd in een stad die ooit voor schapen koos -  moet u links de Waterpoortstraat indraaien. Het is mij al gelijk welk geloof u aanhangt, maar doe daar een gebedje, om het even welk. Als u atheïst bent mag het zelfs een refrein zijn van het lied dat deze ochtend in de badkamer in je hoofd is gaan hangen. Zelfs als het er eentje van Niels De Stadsbader zou zijn. Maar doe het, want u nadert de poort van de onderwereld. Op het einde van de Waterpoortstraat staan verkeerslichten. Echt wel. Met rood en groen. Ja. Die. Vlak voor het hoekje. Het lijkt een beetje op een Gamma-zelfbouwpakket waarmee de klant, mits juiste montage, de ervaring van een Russische roulette beloofd wordt. U hebt daar, dat denkt u even, twee mogelijkheden: groen of rood. Maar vergis u niet, eigenlijk zijn uw mogelijkheden: levend of dood. Door het tweerichtingsverkeer in de Blokstraat toe te laten en het hele zaakje proberen op te lossen met drie verkeerslichten, op een plek waar ’s ochtends de fietsende jongeren met honderden de stad instromen, vlak op de hoek van een school die twee keer per dag ook nog eens ruim zeshonderdvijftig kinderen moet proberen in- en uit te laten, neemt u een onwaarschijnlijk risico.

De toon van mijn tekst verandert hier lichtelijk, laat dit duidelijk zijn. Ik hoop echt, uit de grond van mijn hart, dat een brief van een bezorgde burger u voldoende wakker kan schudden om u uit uw heerlijke droomwereld te halen. En dat het niet de dood van een kind moet zijn, die u straks doet ontwaken in een nachtmerrie.

Voor u ook nog maar één flyer in mijn bus stopt, vraag ik u met aandrang de fiets te nemen - liefst om kwart over acht ’s morgens -, dat zaakje te verkennen en de situatie zo snel mogelijk aan te passen.

Kan u mij dat beloven?

Alvast bedankt.

 

 

Vriendelijke groet.

Kris Van Steenberge

 

 

Brief aan de Sint

Beste Sint

Ik zou het goed kunnen begrijpen wanneer u er straks de brui zou aan geven. Dat u dat paard op stal laat, u zelf wat makkelijkers aantrekt, vrijetijdskledij of iets sportiefs of hips en dat u de pieten technisch werkloos wegstuurt met een visitekaartje van een of ander interimkantoor op zak. Dat u ons gewoon verlaat. Niet richting Spanje. Neen. Wel naar een of ander tropisch eiland waar u op het strand kan gaan zitten. De zon zal er uw stramme spieren verwarmen. U zou er dan bijvoorbeeld in alle rust een boek kunnen lezen (ik kan u overigens een aantal interessante suggesties doen). Daar moet u toch ook wel eens zin in hebben, na al die tijd.

U moet die Sint-exit toch al eens overwogen hebben, in duistere uren wanneer u de slaap niet kan vatten? Het kan toch niet anders dan dat u terugdenkt aan al die jaren waarin u kleine jongetjes en meisjes bezocht, hun brieven las, glimlachte, in hen geloofde, wat lekkers neerlegde en hier en daar een cadeau verwisselde voor nog iets mooiers. Het kan toch niet anders dan dat u daaraan terugdenkt wanneer u hen nu bezig ziet, die grote kinderen. Dan keert uw maag toch om? Dan brandt het zuur toch in uw keel? Dat lost u toch niet meer op met enkele Rennies?

Als u ziet hoe ze nu doen. Hoe ze zich inbeelden eenieders pijn te kennen bij het aanschouwen van een van uw zwarte knechten. Hoe ze zich inbeelden de eigen traditie zo goed doorgrond te hebben, als culturele erfgoeddragers. Hoe ze zich inbeelden dat ze voet bij stuk moeten houden, dat ze niet mogen afgeven, geen centimeter mogen prijsgeven van het speelveld dat ze bezet hebben. Hoe ze zich inbeelden dat hun mening luidkeels moet verdedigd worden, hoe ze zich hun eigen gelijk inbeelden, hoe ze zich inbeelden dat dit er allemaal toe doet.

Als ik dat zou zien Sint, ik kapte ermee, meteen, maar ja, ik ben dan ook geen heilige. Bovendien beeld ik me nu in dat ik een groot bakkes mag opzetten en u dit allemaal zomaar mag schrijven, terwijl ik natuurlijk ook zelf wel een van die jongetjes en meisjes van weleer ben.

Doch straks, als het weer donker is en bijna middernacht, dan zal ik in mijn zetel zitten en naar die schoenen kijken, netjes naast elkaar bij de haard, met een aantal tekeningen erbij en een wortel en een Duvel. Dat u dol bent op dit bier is trouwens ook iets wat ik me heb ingebeeld. En al blaf ik nu wat als een hitsige hond, straks zal ik weer rustig zijn, en hopen dat u komt.

Doe het niet voor mij. Neen, alstublieft niet. Doe het voor mijn jongste.

Want zij beeldt zich nog niets in. Zij dartelt morgenvroeg de trap af en huppelt en zweeft op iets wat bijna magisch is en wat u ieder jaar weer rijkelijk rondstrooit. De kracht van haar verbeelding.

Laat dat nu net het cadeau zijn, waarvan wij allen niet genoeg kunnen krijgen omdat er blijkbaar zo’n tekort aan is.

Tot straks dan maar, goedheilig man?

Oprechte groet.

Kris Van Steenberge